Welkom op Betahulp.nl

Betahulp.nl is een website waar bovenbouw scholieren van HAVO en VWO terecht kunnen voor oefenopgaven die gaan over de exacte vakken: Natuurkunde, Scheikunde en Wiskunde B. Meer »

Registreer nu!

Word nu lid van Betahulp.nl en krijg toegang tot de tal van oefenopgaven! Meer »

 

Inhoud Elektriciteit (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Toepassingen van het gebruik van elektriciteit beschrijven, zoals opwekking van warmte en magnetische werking;
- Werken met elektrische schakelingen;
- Schema’s tekenen van elektrische schakelingen;
- Problemen oplossen met behulp van formules;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Elektromagnetisme (SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:

- Elektromagnetische verschijnselen verklaren;
- Bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Regelsystemen en signaalverwerking (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Het gebruik uitleggen van geautomatiseerde meet-, stuur- en regelsystemen, inclusief functie senor, verwerker en actuator;
- Het bereik, de gevoeligheid en de nauwkeurigheid van een sensor op grond van gegevens bepalen;
- Omgang met analoog-digitaal omzetters, EN/OF poort, Invertor, Comparator, geheugencel, teller en AD-omzetter;

Inhoud Opwekking en transport van elektrische energie (SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Opwekking en transport van elektrische energie uitleggen;
- Problemen oplossen met behulp van formules;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Licht (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Berekeningen maken met de brekingswetten;
- Met de brekingswetten het doorgeven van licht door een glasvezelkabel en de kleurschifting in een prisma beschrijven;
- De plaats en de grootte van het reële beeld bepalen bij het gebruik van een positieve lens door een tekening en een berekening;
- Uitleggen op welke wijze een vergroot beeld wordt waargenomen bij het gebruik van een loep in de situatie van een geaccommodeerd oog ;
- Aangeven welke technieken en principes er gebruikt worden om beeld en geluid vast te leggen en over te brengen: digitale techniek; magneetband en compactdisc;
- Voorbeelden noemen van toepassingen van ultrasoon geluid en laserlicht in de gezondheidszorg;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Trillingen en golven (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Uit de uitwijking-tijd-grafiek van een mechanische of elektrische trilling de trillingstijd, frequentie, amplitude en het soort trilling (harmonisch of niet) bepalen;
- Het ontstaan van een harmonische trilling met een vaste eigenfrequentie uitleggen als gevolg van een krachtwerking in de richting van de evenwichtsstand, evenredig met de uitwijking;
- De uitbreiding van geluid en licht in de vorm van lopende golven beschrijven;
- Versterking en verzwakking van geluid door interferentie in verband brengen met faseverschillen;
- Het verschijnsel resonantie verklaren;
- Een overzicht geven van het elektromagnetisch spectrum met voorbeelden en toepassingen;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Beweging (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Plaats-tijd-diagrammen interpreteren;
- Snelheid-tijd-diagrammen interpreteren;
- Berekeningen maken bij een vrije val vanuit rust;
- De begrippen baansnelheid, omlooptijd en toerental toepassen bij een eenparig ronddraaiend voorwerp;
- De grootheden noemen die een rol spelen bij het eenparig versnellen van voertuigen en hiermee gegeven problemen oplossen;
- Problemen over de veiligheid in het verkeer oplossen, gebruikmakend van natuurkundige begrippen en relaties;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Kracht, arbeid en energie (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- De eerste wet van Newton uitleggen aan de hand van voorbeelden;
- Met de tweede wet van Newton de resulterende kracht of de versnelling berekenen;
- De derde wet van Newton toepassen in eenvoudige situaties.
- Krachten op een systeem weergeven als vectoren en hiermee krachten berekenen in situaties van rust en constante snelheid;
- De grootheden noemen die een rol spelen bij het eenparig versnellen en vertragen van voertuigen en hiermee gegeven problemen oplossen;
- De wet van behoud van energie toepassen onder andere bij een vrije val, verticale worp omhoog;
- Berekeningen maken over kracht, arbeid en vermogen in situaties van voertuigen bij verschillende constante snelheden op een vlakke weg;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Materie en energie (SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
- Eigenschappen van materie en energie beschrijven en met behulp van modellen beschrijven;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Straling en energie (CE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:
-D e verschillende soorten ioniserende straling en hun eigenschappen beschrijven;
- Eenvoudige berekeningen maken waarbij de halveringstijd een rol speelt;
- Een vervalvergelijking van een radioactieve kern opstellen als gegeven is welke straling wordt
uitgezonden;
- De effecten bespreken van ioniserende straling op de mens en het milieu;
- Toepassing van ioniserende straling verklaren in industrie en techniek;
- Toepassingen noemen van beschermingsmaatregelen bij het gebruik van ioniserende straling in de gezondheidszorg en techniek;
- De werking van een kerncentrale verklaren;
- Voor- en nadelen noemen van het gebruik van kernenergie op grote schaal en in de hele wereld;
- De bijbehorende formules toepassen.

Inhoud Stoffen en materialen, anorganisch (CE/SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:

Reacties van zouten (CE)

De kandidaat kan het oplossen en neerslaan van zouten beschrijven en aangeven voor welke doeleinden neerslagreacties kunnen worden toegepast.

De kandidaat kan:
- Met behulp van een oplosbaarheidstabel laten zien hoe via neerslagreacties
• ionen uit een oplossing kunnen worden verwijderd;
• de aanwezigheid van bepaalde ionen kan worden aangetoond;
• een bepaald zout kan worden bereid;
• ionen in oplossing met elkaar kunnen reageren.

 Atoombouw en periodiek systeem (CE)

De kandidaat kan de bouw van atomen beschrijven en aangeven wat de samenhang is tussen de atoombouw en de plaatsing en ordening van elementen in het periodiek systeem.

De kandidaat kan:
- Aangeven welke principes ten grondslag liggen aan de plaatsing en ordening van elementen
in het Periodiek Systeem in groepen en perioden:
• kernlading/atoommassa;
• eigenschappen.
Van een aantal elementen aangeven waar ze zich in het Periodiek Systeem bevinden:
• metalen en niet-metalen;
• edelgassen;
• halogenen;
• alkalimetalen.
- De bouw van atomen en ionen beschrijven, gebruik makend van de begrippen atoomkern, proton, neutron, kernlading, atoomnummer, massagetal, elektron, elektronenwolk, ionlading.

Bindingstypen en eigenschappen (CE)

De kandidaat kan van een aantal typen binding aangeven hoe ze tot stand komen en welke eigenschappen met de betreffende bindingstypen samenhangen.

De kandidaat kan:
- Aangeven of een stof uit ionen, atomen of moleculen bestaat.
- Aangeven hoe de volgende typen bindingen tot stand komen en aangeven welk van die bindingstypen aanwezig is bij zouten, metalen en moleculaire stoffen:
• atoombinding of covalente binding;
• polaire binding, als overgangstype tussen atoombinding en ionbinding;
• ionbinding;
• metaalbinding;
• waterstofbrug;
• vanderwaalsbinding.
- Aangeven dat ionen watermoleculen kunnen binden en dat dit proces omkeerbaar is:
• hydratatie;
• zouthydraten;
• kristalwater, met gebruik van de notatie .nH2O.
- Verband leggen tussen typen binding en eigenschappen van metalen, ionogene en moleculaire stoffen:
• hoogte van het smeltpunt;
• hoogte van het kookpunt;
• al dan niet elektrische geleiding in vaste, vloeibare en/of opgeloste toestand.
- Uitleggen welke stoffen, gezien de structuur van de moleculen en het aanwezige bindingstype, in het algemeen goed mengen, respectievelijk oplossen en welke niet, gebruik makend van de begrippen:
• apolair/polair;
• hydrofoob/hydrofiel;
• waterstofbruggen.

Namen en formules (SE)

Namen en formules bijbehorend bij deze stof worden in het schoolexamen getoetst.

Inhoud Stoffen en materialen, organisch (CE/SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:

Andere toepassingen van koolstofverbindingen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Reacties van koolstofverbindingen (CE)

De kandidaat kan van een aantal soorten koolstofverbindingen aangeven welke typen reacties ze kunnen ondergaan en welke producten daarbij worden gevormd.

De kandidaat kan:
- Typen reacties van koolstofverbindingen noemen en aangeven wat de kenmerken van die reacties zijn:
• verestering;
• hydrolyse;
• polymerisatie;
• additie;
• kraken.
- Uit gegevens afleiden tot welke van de in eindterm 24 genoemde typen reacties een bepaalde reactie behoort:
• uit de vergelijking van de reactie;
• uit gegevens over beginstoffen en reactieproducten.
- Aangeven dat alkenen kunnen reageren met de volgende stoffen, aangeven welke producten daarbij worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijkingen geven:
• waterstof;
• water;
• halogenen, al dan niet in oplossing.
- Aangeven dat uit een alcohol en een alkaanzuur een ester en water kunnen worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijking in structuurformules geven.
- Beschrijven hoe de waswerking van zeep kan worden verklaard.
- Aangeven hoe esters kunnen worden gehydrolyseerd, welke producten daarbij worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijking in structuurformules geven.
- In molecuul- en structuurformules van monomeer en polymeer het proces beschrijven van de polymerisatie van:
• etheen;
• vinylchloride;
• propeen.
- Polymeren op grond van hun gedrag onderscheiden in thermoplasten en thermoharders.

Structuren van koolstofverbindingen (CE)

De kandidaat kan structuurkenmerken en karakteristieke groepen in koolstofverbindingen aanduiden en benoemen, de systematische naamgeving volgens IUPAC voor een aantal soorten koolstofverbindingen toepassen en aangeven wat onder structuurisomerie wordt verstaan.

De kandidaat kan:
- Aangeven wat een structuurformule is.
- Uit een structuurformule een molecuulformule afleiden.
- Aangeven wat onder structuurisomeren wordt verstaan.
- De structuurformules geven van structuurisomeren die voldoen aan een gegeven molecuulformule met maximaal 6 koolstofatomen.
- Aangeven wat wordt verstaan onder:
• vertakte en onvertakte koolstofketens;
• enkele binding;
• dubbele binding;
• karakteristieke groep.
- Aangeven wat wordt verstaan onder verzadigde en onverzadigde verbindingen.
- Een verband leggen tussen de algemene formule van een homologe reeks en de bijbehorende structuurformules, waarbij niet verder wordt gegaan dan homologe reeksen van verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep:
• alkanen;
• alkenen;
• alkanolen;
• alkaanzuren.
- Van een aantal koolstofverbindingen met maximaal 6 koolstofatomen in de moleculen de naam of namen (IUPAC) noemen en de structuurformule geven waarbij niet verder wordt gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep:
• alkanen;
• alkenen;
• halogeenalkanen;
• alkanolen;
• alkaanzuren.
- Van de in eindterm 38 genoemde verbindingen aangeven tot welke grotere klasse van verbindingen deze behoren en de karakteristieke groep aangeven:
• koolwaterstoffen;
• alcoholen;
• carbonzuren.
- Aangeven dat stoffen naast systematische namen ook triviale namen kunnen hebben en deze naast elkaar gebruiken.

 

Inhoud Stoffen en materialen, biochemisch (CE/SE)

Industriële toepassingen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Stofwisseling

De kandidaat kan een aantal biochemische processen beschrijven.

De kandidaat kan:
- De fotosynthese van glucose beschrijven als een proces waarbij energie wordt opgeslagen:
• licht;
• chlorofyl;
• energieopslag;
• binding van koolstofdioxide;
• productie van zuurstof.
- De hoofdbestanddelen van voedsel noemen:
• koolhydraten;
• vetten;
• eiwitten.
- Aangeven dat zetmeel en glycogeen koolhydraten zijn waaruit bij hydrolyse glucose ontstaat.
-Aangeven dat vetten esters zijn waaruit bij hydrolyse vetzuren en glycerol ontstaan.
- Aangeven dat eiwitten polymeren zijn waaruit bij hydrolyse aminozuren ontstaan:
• peptidebinding.
- Uitleggen wat wordt verstaan onder het begrip essentieel bij essentiële aminozuren en essentiële vetzuren.
- Op basis van gegevens over biologische afbreekbaarheid van stoffen een beargumenteerde mening geven over het gebruik van die stoffen.
- De algemene structuurformule van aminozuren geven.

Inhoud Sturen van reacties (CE/SE)

Toepassingen (CE)

De kandidaat kan van een aantal typen reacties en processen aangeven wat de kenmerken ervan zijn en ze in vergelijkingen weergeven.

De kandidaat kan:
- Uit gegevens over een reactie/proces de beginstoffen en producten aangeven.
- Oplossen, indampen en chemische processen weergeven met behulp van formules en
reactievergelijkingen:
• molecuulformules;
• structuurformules;
• verhoudingsformules;
• ionen.
- Het rendement van een proces berekenen als fractie of percentage van de theoretische opbrengst, op basis van volledige omzetting.
- Aangeven dat door het beïnvloeden van de reactiesnelheid bij (industriële) processen een bepaald product kan worden verkregen of goedkoper kan worden geproduceerd.
- Aangeven wat een katalysator is:
• enzymen als biokatalysator.

Effecten tijdens het verloop van reacties (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Reactiesnelheid en evenwichten (CE)

De kandidaat kan aangeven op welke wijze de ligging van een evenwicht kan worden beïnvloed.

De kandidaat kan:
- Met behulp van het ‘botsende-deeltjes-model’ uitleggen welke invloed concentratie, verdelingsgraad en temperatuur op de reactiesnelheid hebben.
- Aangeven wat in de scheikunde onder een evenwicht wordt verstaan:
• dynamisch evenwicht;
• homogeen evenwicht;
• heterogeen evenwicht;
• verdelingsevenwicht.
- Uitleggen dat door het onttrekken van een reactant een aflopende reactie ontstaat.

Rekenen aan reacties (CE)

De kandidaat kan chemische berekeningen uitvoeren.

De kandidaat kan:
- Van een aantal grootheden die specifiek zijn voor een deeltje of een stof aangeven wat ze betekenen en deze grootheden gebruiken in berekeningen:
• atoommassa;
• molecuulmassa;
• ionmassa;
• molaire massa;
• chemische hoeveelheid stof, eenheid mol.
- Van een aantal begrippen die worden gebruikt om een gehalte aan te geven uitleggen wat ze betekenen en er berekeningen mee uitvoeren:
• volumepercentage;
• massapercentage;
• concentratie in mol/L, molariteit.
- Chemische berekeningen uitvoeren:
• massapercentages in verbindingen;
• gehaltes in mengsels;
• massaverhouding bij reacties;
• molverhouding bij reacties;
• overmaat.

Inhoud Zuren en basen (CE)

Namen, formules en reacties (CE)

H2

De kandidaat kan van een aantal zuren en basen de naam en de formule geven, aangeven of de betreffende zuren en basen sterk of zwak zijn, van een aantal oplossingen de samenstelling geven en een aantal begrippen uit de zuur-base theorie toepassen in verschillende situaties.

De kandidaat kan:
- Van de volgende zuren de naam noemen als de formule is gegeven en omgekeerd en aangeven of het een sterk zuur of een zwak zuur betreft:
• HCl;
• H2SO4;
• HNO3;
• H3PO4;
• ‘H2CO3‘;
• CH3COOH.
- Van de volgende basen de naam noemen als de formule is gegeven en omgekeerd en
aangeven of het een sterke base of een zwakke base betreft:
• NH3;
• OH-;
• CO32–;
• O2–;
• HCO3;
• CH3COO.
- Aangeven wat de samenstelling van de volgende oplossingen is:
• ammonia;
• zoutzuur;
• natronloog;
• kaliloog.
- Aangeven wat men verstaat onder een sterk zuur en een zwak zuur en een sterke base en een zwakke base.
- Een zuur-base reactie beschrijven in termen van protonenoverdracht.
- Van een gegeven reactie aangeven of het een zuur-base reactie is en aangeven wat het zuur en wat de base is.
- Het effect beschrijven van verdunning van een oplossing op de pH:
• sterke en zwakke zuren in oplossing;
• sterke en zwakke basen in oplossing.

Berekeningen (CE)

De kandidaat kan berekeningen uitvoeren aan zure en basische oplossingen.

De kandidaat kan:
- De pH berekenen uit de molariteit van oplossingen en omgekeerd, gebruik makend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K):
• sterke zuren;
• sterke basen.
De waarde van [H+], [OH] en pH bij 298 K van water en van neutrale oplossingen geven.
- Met behulp van de gegevens van een neutralisatie waarbij aan een sterk zuur een sterke base wordt toegevoegd, of omgekeerd, de molariteit van het zuur of de base berekenen.

Inhoud Reacties en stroom (CE)

Redox als proces (CE)

De kandidaat kan de bouw en de werking van een elektrochemische cel en een elektrolyseopstelling beschrijven en methoden toelichten om corrosie te bestrijden.

De kandidaat kan:
- De schematische opbouw en de werking van een elektrochemische cel beschrijven gebruik makend van de begrippen:
• reductor, oxidator;
• halfreacties;
• elektrolyt-oplossing;
• positieve elektrode, negatieve elektrode;
• zoutbrug/membraan.
- De bouw en werking beschrijven van een elektrolyse-opstelling gebruik makend van de begrippen:
• reductor, oxidator;
• halfreacties;
• elektrolyt-oplossing;
• (on)aantastbare elektroden, positieve elektrode, negatieve elektrode.

Reacties (CE)

De kandidaat kan de namen en formules van een aantal reductoren en oxidatoren geven en met behulp van een tabel met halfreacties uitspraken doen over toepassingen van redoxreacties.

De kandidaat kan:
- Met behulp van een tabel met gegevens over de sterkte van oxidatoren en reductoren voorspellen of in een gegeven situatie een redoxreactie zal kunnen verlopen en daarin reductor en oxidator aanwijzen.
- Voor een redoxreactie tussen gegeven stoffen/deeltjes met behulp van een tabel aangeven welke halfreacties plaatsvinden en hieruit de vergelijking van de totaalreactie afleiden.
- Met behulp van een tabel met halfreacties en gegevens over de sterkte van oxidatoren en reductoren aangeven welke halfreacties plaatsvinden in een elektrochemische cel en hieruit de vergelijking van de totaalreactie afleiden.
- Met behulp van een tabel met halfreacties en gegevens over de sterkte van oxidatoren en reductoren aangeven welke halfreacties tijdens de elektrolyse van een oplossing verlopen bij de positieve en negatieve elektrode en hieruit de vergelijking van de totaalreactie afleiden.

Inhoud Chemische industrie (CE/SE)

Het maken van stoffen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Het scheiden en zuiveren van stoffen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst. Enkele namen en toepassingen van een aantal scheidingsmethoden behoren tot de communale kennis, hierover kunnen in het centraal examen wel vragen worden gesteld.

Procesindustrie (CE)

De kandidaat kan de uitvoering in het groot van een chemisch proces beschrijven.

De kandidaat kan:
- De opeenvolgende stappen en reactie-omstandigheden (reacties, reactiesnelheid, evenwichtsligging, katalysator, druk, temperatuur) opzoeken en schematisch weergeven van de productie van een aantal belangrijke bulkproducten:
• ammoniak;
• aardolieproducten: kraken, destilleren (zie ook bij subdomein C3 onder specificatie eindterm 24).
- Een blokschema interpreteren van een beschreven productieproces.

Transport in een gigantisch magazijn

fet-vorkheftruck

Magazijnen zijn erg belangrijk in de wereld op dit moment, want klanten gaan er steeds meer van uit dat als ze iets kopen, dit ook op voorraad is en niet nog gemaakt moet worden.Veel grote bedrijven zoals IKEA, het bedrijf dat vooral meubels verkoopt, hebben hier ook mee te maken, en zij hebben dan ook over de hele wereld verspreid gigantische magazijnen waar alle producten liggen opgeslagen. Maar hoe ga je snel rond in zo’n groot magazijn? Lees in de sidebar meer over dit soort magazijnen.

De vorkheftruck is hiervoor een prima transportmiddel. Deze opgave gaat over de werking van een vorkheftruck.

Inhoud Redox (CE/SE)

Toepassingen (SE)

De kandidaat kan toepassingen van redoxreacties in elektrochemische cellen en in elektrolyseprocessen beschrijven.

Redox als proces (SE)

De kandidaat kan de bouw en de werking van een elektrochemische cel en een elektrolyseopstelling beschrijven en methoden toelichten om corrosie te bestrijden.

Inhoud Zuren en basen (CE/SE)

 Toepassingen (SE)

De kandidaat kan de rol van zuren, basen en buffers in verschillende situaties beschrijven.

Onderzoek (SE)

De kandidaat kan een aantal methoden gebruiken om zure, basische en neutrale oplossingen te onderzoeken en de resultaten van die onderzoeken interpreteren.

Inhoud Chemische techniek (CE/SE)

Het maken van stoffen (SE)

De kandidaat kan voor de industriële bereiding van een bepaalde stof aangeven welke grondstoffen en hulpstoffen worden gebruikt en het productieproces beschrijven in het perspectief van duurzame ontwikkeling.

Het scheiden en zuiveren van stoffen (SE)

De kandidaat kan een aantal methoden noemen om mengsels te zuiveren en verbanden leggen tussen de eigenschappen van de aanwezige stoffen en de geschikte scheidingsmethode.

Stoffen aantonen (CE)

De kandidaat kan een aantal methoden noemen om stoffen aan te tonen en de resultaten die daarbij worden verkregen, interpreteren.

De kandidaat kan:
- Papier- en dunnelaagchromatogrammen interpreteren ten behoeve van het herkennen van stoffen.
- Gaschromatogrammen interpreteren ten behoeve van het herkennen van stoffen.
- Aangeven dat in spectrogrammen van stoffen kenmerkende patronen kunnen voorkomen en deze patronen interpreteren om die stoffen of soorten stoffen te herkennen:
• absorptiespectra (visueel, UV, IR);
• massaspectra.

Analysetechnieken (CE)

De kandidaat kan een aantal technieken noemen om de hoeveelheid van een stof te bepalen en de daarbij behorende berekeningen uitvoeren.

De kandidaat kan:
- Het principe van een titratie beschrijven:
• bij zuur-base titraties: titratiecurve, indicatorkeuze.
- Gaschromatogrammen gebruiken ter bepaling van een hoeveelheid van een stof.
- Aangeven op welke wijze een hoeveelheid van een stof colorimetrisch kan worden bepaald.
- Hoeveelheden van een stof bepalen gebruik makend van gegevens uit experimenten en van de wet van Lambert-Beer.

Procesindustrie (CE)

De kandidaat kan de uitvoering in het groot van een chemisch proces beschrijven.

De kandidaat kan:
- Stappen onderscheiden bij de uitvoering in het groot van een chemisch proces:
• aanvoer en opslag van grondstoffen;
• voorbewerking (doseren, mengen, verwarmen, samenpersen);
• reactie;
• scheiding/recycling;
• zuivering/afvalverwerking;
• opslag en afvoer van eindproducten.
- Aangeven in welke gevallen een batchproces de voorkeur geniet boven een continu proces:
• kleinschalige productie;
• breed productenpalet.
- Voordelen noemen van een continu proces boven een batchproces:
• beter te automatiseren;
• geen tijdverlies voor vullen, legen, schoonmaken;
• recycling eenvoudiger.
- Van een beschreven productieproces het blokschema weergeven.
- Een blokschema interpreteren van een beschreven productieproces.
- Bij berekeningen aan een in het groot uitgevoerd chemisch proces gebruik maken van een massabalans, elementenbalans en/of energiebalans.

Inhoud Kenmerken van reacties (CE)

Toepassingen (CE)

De kandidaat kan enkele natuurlijke kringloopprocessen beschrijven en van een aantal typen reacties en processen aangeven wat de kenmerken ervan zijn en ze in vergelijkingen weergeven.

De kandidaat kan:
- Het rendement van een proces berekenen als percentage of fractie van de theoretische opbrengst op basis van volledige omzetting.
- Aangeven dat door beïnvloeden van de reactiesnelheid bij (industriële) processen een bepaald product kan worden verkregen of goedkoper kan worden geproduceerd.
- Beschrijven hoe met behulp van maatregelen die de evenwichtsligging beïnvloeden bij (industriële) processen een bepaald product kan worden verkregen of goedkoper kan worden geproduceerd.
- Begrippen gebruiken die met toxiciteit samenhangen:
• acute toxiciteit;
• chronische toxiciteit;
• mutageniteit;
• carcinogeniteit;
• no-toxic effectlevel;
• ADI-waarde;
• MAC-waarde.
- De natuurlijke kringloop van koolstof beschrijven als voorbeeld van elementbehoud:
• fotosynthese;
• omzetting glucose in organische stoffen;
• afbraak van deze stoffen;
• betekenis van deze kringloop in verband met het milieu.
- De natuurlijke kringloop van stikstof beschrijven als voorbeeld van elementbehoud:
• stikstofbinding;
• nitraat in voedingsstof planten (kunstmest);
• vorming stikstofhoudende organische stoffen (eiwitten);
• afbraak stikstofhoudende organische stoffen tot eenvoudige moleculen;
• betekenis van deze kringloop voor het milieu.
- Typen reacties noemen en aangeven wat de kenmerken van die reacties zijn:
• substitutie;
• additie;
• redox;
• zuur-base;
• verestering;
• verzeping;
• polymerisatie;
• hydrolyse;
• kraken.
- Chemische processen, oplossen en indampen weergeven met behulp van formules en reactievergelijkingen:
• molecuulformules;
• structuurformules;
• verhoudingsformules;
• ionen.
- Uit gegevens afleiden tot welk type reacties (zie eindterm 102) een bepaalde reactie behoort:
• uit de vergelijking van de reactie;
• uit gegevens over beginstoffen en reactieproducten.
- Uit gegevens over een reactie/proces de beginstoffen en producten aangeven.