Maandelijkse archieven: Oktober 2012

Inhoud Chemische industrie (CE/SE)

Het maken van stoffen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Het scheiden en zuiveren van stoffen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst. Enkele namen en toepassingen van een aantal scheidingsmethoden behoren tot de communale kennis, hierover kunnen in het centraal examen wel vragen worden gesteld.

Procesindustrie (CE)

De kandidaat kan de uitvoering in het groot van een chemisch proces beschrijven.

De kandidaat kan:
- De opeenvolgende stappen en reactie-omstandigheden (reacties, reactiesnelheid, evenwichtsligging, katalysator, druk, temperatuur) opzoeken en schematisch weergeven van de productie van een aantal belangrijke bulkproducten:
• ammoniak;
• aardolieproducten: kraken, destilleren (zie ook bij subdomein C3 onder specificatie eindterm 24).
- Een blokschema interpreteren van een beschreven productieproces.

Inhoud Reacties en stroom (CE)

Redox als proces (CE)

De kandidaat kan de bouw en de werking van een elektrochemische cel en een elektrolyseopstelling beschrijven en methoden toelichten om corrosie te bestrijden.

De kandidaat kan:
- De schematische opbouw en de werking van een elektrochemische cel beschrijven gebruik makend van de begrippen:
• reductor, oxidator;
• halfreacties;
• elektrolyt-oplossing;
• positieve elektrode, negatieve elektrode;
• zoutbrug/membraan.
- De bouw en werking beschrijven van een elektrolyse-opstelling gebruik makend van de begrippen:
• reductor, oxidator;
• halfreacties;
• elektrolyt-oplossing;
• (on)aantastbare elektroden, positieve elektrode, negatieve elektrode.

Reacties (CE)

De kandidaat kan de namen en formules van een aantal reductoren en oxidatoren geven en met behulp van een tabel met halfreacties uitspraken doen over toepassingen van redoxreacties.

De kandidaat kan:
- Met behulp van een tabel met gegevens over de sterkte van oxidatoren en reductoren voorspellen of in een gegeven situatie een redoxreactie zal kunnen verlopen en daarin reductor en oxidator aanwijzen.
- Voor een redoxreactie tussen gegeven stoffen/deeltjes met behulp van een tabel aangeven welke halfreacties plaatsvinden en hieruit de vergelijking van de totaalreactie afleiden.
- Met behulp van een tabel met halfreacties en gegevens over de sterkte van oxidatoren en reductoren aangeven welke halfreacties plaatsvinden in een elektrochemische cel en hieruit de vergelijking van de totaalreactie afleiden.
- Met behulp van een tabel met halfreacties en gegevens over de sterkte van oxidatoren en reductoren aangeven welke halfreacties tijdens de elektrolyse van een oplossing verlopen bij de positieve en negatieve elektrode en hieruit de vergelijking van de totaalreactie afleiden.

Inhoud Zuren en basen (CE)

Namen, formules en reacties (CE)

H2

De kandidaat kan van een aantal zuren en basen de naam en de formule geven, aangeven of de betreffende zuren en basen sterk of zwak zijn, van een aantal oplossingen de samenstelling geven en een aantal begrippen uit de zuur-base theorie toepassen in verschillende situaties.

De kandidaat kan:
- Van de volgende zuren de naam noemen als de formule is gegeven en omgekeerd en aangeven of het een sterk zuur of een zwak zuur betreft:
• HCl;
• H2SO4;
• HNO3;
• H3PO4;
• ‘H2CO3‘;
• CH3COOH.
- Van de volgende basen de naam noemen als de formule is gegeven en omgekeerd en
aangeven of het een sterke base of een zwakke base betreft:
• NH3;
• OH-;
• CO32–;
• O2–;
• HCO3;
• CH3COO.
- Aangeven wat de samenstelling van de volgende oplossingen is:
• ammonia;
• zoutzuur;
• natronloog;
• kaliloog.
- Aangeven wat men verstaat onder een sterk zuur en een zwak zuur en een sterke base en een zwakke base.
- Een zuur-base reactie beschrijven in termen van protonenoverdracht.
- Van een gegeven reactie aangeven of het een zuur-base reactie is en aangeven wat het zuur en wat de base is.
- Het effect beschrijven van verdunning van een oplossing op de pH:
• sterke en zwakke zuren in oplossing;
• sterke en zwakke basen in oplossing.

Berekeningen (CE)

De kandidaat kan berekeningen uitvoeren aan zure en basische oplossingen.

De kandidaat kan:
- De pH berekenen uit de molariteit van oplossingen en omgekeerd, gebruik makend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K):
• sterke zuren;
• sterke basen.
De waarde van [H+], [OH] en pH bij 298 K van water en van neutrale oplossingen geven.
- Met behulp van de gegevens van een neutralisatie waarbij aan een sterk zuur een sterke base wordt toegevoegd, of omgekeerd, de molariteit van het zuur of de base berekenen.

Inhoud Sturen van reacties (CE/SE)

Toepassingen (CE)

De kandidaat kan van een aantal typen reacties en processen aangeven wat de kenmerken ervan zijn en ze in vergelijkingen weergeven.

De kandidaat kan:
- Uit gegevens over een reactie/proces de beginstoffen en producten aangeven.
- Oplossen, indampen en chemische processen weergeven met behulp van formules en
reactievergelijkingen:
• molecuulformules;
• structuurformules;
• verhoudingsformules;
• ionen.
- Het rendement van een proces berekenen als fractie of percentage van de theoretische opbrengst, op basis van volledige omzetting.
- Aangeven dat door het beïnvloeden van de reactiesnelheid bij (industriële) processen een bepaald product kan worden verkregen of goedkoper kan worden geproduceerd.
- Aangeven wat een katalysator is:
• enzymen als biokatalysator.

Effecten tijdens het verloop van reacties (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Reactiesnelheid en evenwichten (CE)

De kandidaat kan aangeven op welke wijze de ligging van een evenwicht kan worden beïnvloed.

De kandidaat kan:
- Met behulp van het ‘botsende-deeltjes-model’ uitleggen welke invloed concentratie, verdelingsgraad en temperatuur op de reactiesnelheid hebben.
- Aangeven wat in de scheikunde onder een evenwicht wordt verstaan:
• dynamisch evenwicht;
• homogeen evenwicht;
• heterogeen evenwicht;
• verdelingsevenwicht.
- Uitleggen dat door het onttrekken van een reactant een aflopende reactie ontstaat.

Rekenen aan reacties (CE)

De kandidaat kan chemische berekeningen uitvoeren.

De kandidaat kan:
- Van een aantal grootheden die specifiek zijn voor een deeltje of een stof aangeven wat ze betekenen en deze grootheden gebruiken in berekeningen:
• atoommassa;
• molecuulmassa;
• ionmassa;
• molaire massa;
• chemische hoeveelheid stof, eenheid mol.
- Van een aantal begrippen die worden gebruikt om een gehalte aan te geven uitleggen wat ze betekenen en er berekeningen mee uitvoeren:
• volumepercentage;
• massapercentage;
• concentratie in mol/L, molariteit.
- Chemische berekeningen uitvoeren:
• massapercentages in verbindingen;
• gehaltes in mengsels;
• massaverhouding bij reacties;
• molverhouding bij reacties;
• overmaat.

Inhoud Stoffen en materialen, biochemisch (CE/SE)

Industriële toepassingen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Stofwisseling

De kandidaat kan een aantal biochemische processen beschrijven.

De kandidaat kan:
- De fotosynthese van glucose beschrijven als een proces waarbij energie wordt opgeslagen:
• licht;
• chlorofyl;
• energieopslag;
• binding van koolstofdioxide;
• productie van zuurstof.
- De hoofdbestanddelen van voedsel noemen:
• koolhydraten;
• vetten;
• eiwitten.
- Aangeven dat zetmeel en glycogeen koolhydraten zijn waaruit bij hydrolyse glucose ontstaat.
-Aangeven dat vetten esters zijn waaruit bij hydrolyse vetzuren en glycerol ontstaan.
- Aangeven dat eiwitten polymeren zijn waaruit bij hydrolyse aminozuren ontstaan:
• peptidebinding.
- Uitleggen wat wordt verstaan onder het begrip essentieel bij essentiële aminozuren en essentiële vetzuren.
- Op basis van gegevens over biologische afbreekbaarheid van stoffen een beargumenteerde mening geven over het gebruik van die stoffen.
- De algemene structuurformule van aminozuren geven.