Inhoud Zuren en basen (CE)

Namen, formules en reacties (CE)

H2

De kandidaat kan van een aantal zuren en basen de naam en de formule geven, aangeven of de betreffende zuren en basen sterk of zwak zijn, van een aantal oplossingen de samenstelling geven en een aantal begrippen uit de zuur-base theorie toepassen in verschillende situaties.

De kandidaat kan:
- Van de volgende zuren de naam noemen als de formule is gegeven en omgekeerd en aangeven of het een sterk zuur of een zwak zuur betreft:
• HCl;
• H2SO4;
• HNO3;
• H3PO4;
• ‘H2CO3‘;
• CH3COOH.
- Van de volgende basen de naam noemen als de formule is gegeven en omgekeerd en
aangeven of het een sterke base of een zwakke base betreft:
• NH3;
• OH-;
• CO32–;
• O2–;
• HCO3;
• CH3COO.
- Aangeven wat de samenstelling van de volgende oplossingen is:
• ammonia;
• zoutzuur;
• natronloog;
• kaliloog.
- Aangeven wat men verstaat onder een sterk zuur en een zwak zuur en een sterke base en een zwakke base.
- Een zuur-base reactie beschrijven in termen van protonenoverdracht.
- Van een gegeven reactie aangeven of het een zuur-base reactie is en aangeven wat het zuur en wat de base is.
- Het effect beschrijven van verdunning van een oplossing op de pH:
• sterke en zwakke zuren in oplossing;
• sterke en zwakke basen in oplossing.

Berekeningen (CE)

De kandidaat kan berekeningen uitvoeren aan zure en basische oplossingen.

De kandidaat kan:
- De pH berekenen uit de molariteit van oplossingen en omgekeerd, gebruik makend van de betrekking pH + pOH = 14,00 (bij 298 K):
• sterke zuren;
• sterke basen.
De waarde van [H+], [OH] en pH bij 298 K van water en van neutrale oplossingen geven.
- Met behulp van de gegevens van een neutralisatie waarbij aan een sterk zuur een sterke base wordt toegevoegd, of omgekeerd, de molariteit van het zuur of de base berekenen.