Inhoud Kenmerken van reacties (CE)

Toepassingen (CE)

De kandidaat kan enkele natuurlijke kringloopprocessen beschrijven en van een aantal typen reacties en processen aangeven wat de kenmerken ervan zijn en ze in vergelijkingen weergeven.

De kandidaat kan:
- Het rendement van een proces berekenen als percentage of fractie van de theoretische opbrengst op basis van volledige omzetting.
- Aangeven dat door beïnvloeden van de reactiesnelheid bij (industriële) processen een bepaald product kan worden verkregen of goedkoper kan worden geproduceerd.
- Beschrijven hoe met behulp van maatregelen die de evenwichtsligging beïnvloeden bij (industriële) processen een bepaald product kan worden verkregen of goedkoper kan worden geproduceerd.
- Begrippen gebruiken die met toxiciteit samenhangen:
• acute toxiciteit;
• chronische toxiciteit;
• mutageniteit;
• carcinogeniteit;
• no-toxic effectlevel;
• ADI-waarde;
• MAC-waarde.
- De natuurlijke kringloop van koolstof beschrijven als voorbeeld van elementbehoud:
• fotosynthese;
• omzetting glucose in organische stoffen;
• afbraak van deze stoffen;
• betekenis van deze kringloop in verband met het milieu.
- De natuurlijke kringloop van stikstof beschrijven als voorbeeld van elementbehoud:
• stikstofbinding;
• nitraat in voedingsstof planten (kunstmest);
• vorming stikstofhoudende organische stoffen (eiwitten);
• afbraak stikstofhoudende organische stoffen tot eenvoudige moleculen;
• betekenis van deze kringloop voor het milieu.
- Typen reacties noemen en aangeven wat de kenmerken van die reacties zijn:
• substitutie;
• additie;
• redox;
• zuur-base;
• verestering;
• verzeping;
• polymerisatie;
• hydrolyse;
• kraken.
- Chemische processen, oplossen en indampen weergeven met behulp van formules en reactievergelijkingen:
• molecuulformules;
• structuurformules;
• verhoudingsformules;
• ionen.
- Uit gegevens afleiden tot welk type reacties (zie eindterm 102) een bepaalde reactie behoort:
• uit de vergelijking van de reactie;
• uit gegevens over beginstoffen en reactieproducten.
- Uit gegevens over een reactie/proces de beginstoffen en producten aangeven.

Reactiesnelheid (CE)

De kandidaat kan aangeven wat onder reactiesnelheid wordt verstaan en verklaren welke factoren reactiesnelheden beïnvloeden.

De kandidaat kan:
- Aan de hand van een energiediagram het verloop van een chemische reactie beschrijven:
• overgangstoestand;
• activeringsenergie.
- Aangeven wat verstaan wordt onder reactiesnelheid.
- Het ’botsende-deeltjes-model’ beschrijven.
- Met behulp van het ’botsende-deeltjes-model’ uitleggen welke invloed concentratie, verdelingsgraad en temperatuur op de reactiesnelheid hebben.
- Met behulp van het begrip activeringsenergie verklaren welke invloed de aard van de stoffen, katalysator en temperatuur op de reactiesnelheid hebben.
- Schematisch aangeven wat gebeurt met de reactiesnelheid en met de concentratie van een reactant:
• tijdens een aflopende reactie;
• tijdens de instelling van een evenwicht;
• bij evenwicht.

Evenwichten (CE)

De kandidaat kan aangeven op welke wijze de ligging van een evenwicht kan worden beïnvloed.

De kandidaat kan:
- Aangeven wat wordt verstaan onder:
• een dynamisch evenwicht;
• een homogeen evenwicht;
• een heterogeen evenwicht;
• een verdelingsevenwicht.
- Beschrijven op welke wijze een aflopende reactie kan worden verkregen bij een evenwicht.
- Van een aantal factoren uitleggen op welke wijze deze de snelheid waarmee een gegeven evenwicht zich instelt, beïnvloeden:
• katalysator;
• temperatuur;
• verdelingsgraad;
• druk/volume/concentratie.
- Uitleggen met behulp van de evenwichtsvoorwaarde of de evenwichtssituatie kan worden beïnvloed door:
• concentratie of de partiële druk van één of meer bij het evenwicht betrokken stoffen;
• de totale druk op een gasevenwichtssysteem;
• het volume van het evenwichtssysteem;
• de temperatuur van het evenwichtssysteem;
• de aanwezigheid van een katalysator;
• de verdelingsgraad van de bij het evenwicht betrokken stoffen.
- Voor een gegeven evenwichtsreactie de evenwichtsvoorwaarde geven:
• concentratiebreuk/partiële-drukbreuk;
• evenwichtsconstante.
- Van een aantal factoren aangeven of deze de waarde van de evenwichtsconstante beïnvloeden:
• temperatuur;
• druk;
• concentratie van stoffen;
• katalysator;
• verdelingsgraad.

Rekenen aan reacties (CE)

De kandidaat kan chemische berekeningen uitvoeren.

De kandidaat kan:
- Aangeven wat wordt verstaan onder de begrippen:
• chemische hoeveelheid stof, eenheid mol;
• molaire massa;
• molverhouding;
• molair volume van een gas.
- Van een aantal grootheden die specifiek zijn voor een deeltje of een stof aangeven wat ze betekenen:
• gemiddelde atoommassa;
• molecuulmassa;
• ionmassa;
• molaire massa.
- Van een aantal begrippen die gebruikt worden om een gehalte aan te geven, uitleggen wat ze betekenen en er berekeningen mee uitvoeren:
• volumepercentage;
• massapercentage;
• volume-ppm;
• massa-ppm;
• concentratie in mol L–1, molariteit.
- Chemische berekeningen uitvoeren:
• massapercentages in verbindingen;
• gehaltes in mengsels;
• molverhouding en massaverhouding bij reacties;
• volumeverhouding van gassen bij reacties.