Tag Archieven: materialen

Inhoud Stoffen en materialen, biochemisch (CE/SE)

Industriële toepassingen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Stofwisseling

De kandidaat kan een aantal biochemische processen beschrijven.

De kandidaat kan:
- De fotosynthese van glucose beschrijven als een proces waarbij energie wordt opgeslagen:
• licht;
• chlorofyl;
• energieopslag;
• binding van koolstofdioxide;
• productie van zuurstof.
- De hoofdbestanddelen van voedsel noemen:
• koolhydraten;
• vetten;
• eiwitten.
- Aangeven dat zetmeel en glycogeen koolhydraten zijn waaruit bij hydrolyse glucose ontstaat.
-Aangeven dat vetten esters zijn waaruit bij hydrolyse vetzuren en glycerol ontstaan.
- Aangeven dat eiwitten polymeren zijn waaruit bij hydrolyse aminozuren ontstaan:
• peptidebinding.
- Uitleggen wat wordt verstaan onder het begrip essentieel bij essentiële aminozuren en essentiële vetzuren.
- Op basis van gegevens over biologische afbreekbaarheid van stoffen een beargumenteerde mening geven over het gebruik van die stoffen.
- De algemene structuurformule van aminozuren geven.

Inhoud Stoffen en materialen, organisch (CE/SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:

Andere toepassingen van koolstofverbindingen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Reacties van koolstofverbindingen (CE)

De kandidaat kan van een aantal soorten koolstofverbindingen aangeven welke typen reacties ze kunnen ondergaan en welke producten daarbij worden gevormd.

De kandidaat kan:
- Typen reacties van koolstofverbindingen noemen en aangeven wat de kenmerken van die reacties zijn:
• verestering;
• hydrolyse;
• polymerisatie;
• additie;
• kraken.
- Uit gegevens afleiden tot welke van de in eindterm 24 genoemde typen reacties een bepaalde reactie behoort:
• uit de vergelijking van de reactie;
• uit gegevens over beginstoffen en reactieproducten.
- Aangeven dat alkenen kunnen reageren met de volgende stoffen, aangeven welke producten daarbij worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijkingen geven:
• waterstof;
• water;
• halogenen, al dan niet in oplossing.
- Aangeven dat uit een alcohol en een alkaanzuur een ester en water kunnen worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijking in structuurformules geven.
- Beschrijven hoe de waswerking van zeep kan worden verklaard.
- Aangeven hoe esters kunnen worden gehydrolyseerd, welke producten daarbij worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijking in structuurformules geven.
- In molecuul- en structuurformules van monomeer en polymeer het proces beschrijven van de polymerisatie van:
• etheen;
• vinylchloride;
• propeen.
- Polymeren op grond van hun gedrag onderscheiden in thermoplasten en thermoharders.

Structuren van koolstofverbindingen (CE)

De kandidaat kan structuurkenmerken en karakteristieke groepen in koolstofverbindingen aanduiden en benoemen, de systematische naamgeving volgens IUPAC voor een aantal soorten koolstofverbindingen toepassen en aangeven wat onder structuurisomerie wordt verstaan.

De kandidaat kan:
- Aangeven wat een structuurformule is.
- Uit een structuurformule een molecuulformule afleiden.
- Aangeven wat onder structuurisomeren wordt verstaan.
- De structuurformules geven van structuurisomeren die voldoen aan een gegeven molecuulformule met maximaal 6 koolstofatomen.
- Aangeven wat wordt verstaan onder:
• vertakte en onvertakte koolstofketens;
• enkele binding;
• dubbele binding;
• karakteristieke groep.
- Aangeven wat wordt verstaan onder verzadigde en onverzadigde verbindingen.
- Een verband leggen tussen de algemene formule van een homologe reeks en de bijbehorende structuurformules, waarbij niet verder wordt gegaan dan homologe reeksen van verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep:
• alkanen;
• alkenen;
• alkanolen;
• alkaanzuren.
- Van een aantal koolstofverbindingen met maximaal 6 koolstofatomen in de moleculen de naam of namen (IUPAC) noemen en de structuurformule geven waarbij niet verder wordt gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep:
• alkanen;
• alkenen;
• halogeenalkanen;
• alkanolen;
• alkaanzuren.
- Van de in eindterm 38 genoemde verbindingen aangeven tot welke grotere klasse van verbindingen deze behoren en de karakteristieke groep aangeven:
• koolwaterstoffen;
• alcoholen;
• carbonzuren.
- Aangeven dat stoffen naast systematische namen ook triviale namen kunnen hebben en deze naast elkaar gebruiken.

 

Inhoud Stoffen en materialen, anorganisch (CE/SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:

Reacties van zouten (CE)

De kandidaat kan het oplossen en neerslaan van zouten beschrijven en aangeven voor welke doeleinden neerslagreacties kunnen worden toegepast.

De kandidaat kan:
- Met behulp van een oplosbaarheidstabel laten zien hoe via neerslagreacties
• ionen uit een oplossing kunnen worden verwijderd;
• de aanwezigheid van bepaalde ionen kan worden aangetoond;
• een bepaald zout kan worden bereid;
• ionen in oplossing met elkaar kunnen reageren.

 Atoombouw en periodiek systeem (CE)

De kandidaat kan de bouw van atomen beschrijven en aangeven wat de samenhang is tussen de atoombouw en de plaatsing en ordening van elementen in het periodiek systeem.

De kandidaat kan:
- Aangeven welke principes ten grondslag liggen aan de plaatsing en ordening van elementen
in het Periodiek Systeem in groepen en perioden:
• kernlading/atoommassa;
• eigenschappen.
Van een aantal elementen aangeven waar ze zich in het Periodiek Systeem bevinden:
• metalen en niet-metalen;
• edelgassen;
• halogenen;
• alkalimetalen.
- De bouw van atomen en ionen beschrijven, gebruik makend van de begrippen atoomkern, proton, neutron, kernlading, atoomnummer, massagetal, elektron, elektronenwolk, ionlading.

Bindingstypen en eigenschappen (CE)

De kandidaat kan van een aantal typen binding aangeven hoe ze tot stand komen en welke eigenschappen met de betreffende bindingstypen samenhangen.

De kandidaat kan:
- Aangeven of een stof uit ionen, atomen of moleculen bestaat.
- Aangeven hoe de volgende typen bindingen tot stand komen en aangeven welk van die bindingstypen aanwezig is bij zouten, metalen en moleculaire stoffen:
• atoombinding of covalente binding;
• polaire binding, als overgangstype tussen atoombinding en ionbinding;
• ionbinding;
• metaalbinding;
• waterstofbrug;
• vanderwaalsbinding.
- Aangeven dat ionen watermoleculen kunnen binden en dat dit proces omkeerbaar is:
• hydratatie;
• zouthydraten;
• kristalwater, met gebruik van de notatie .nH2O.
- Verband leggen tussen typen binding en eigenschappen van metalen, ionogene en moleculaire stoffen:
• hoogte van het smeltpunt;
• hoogte van het kookpunt;
• al dan niet elektrische geleiding in vaste, vloeibare en/of opgeloste toestand.
- Uitleggen welke stoffen, gezien de structuur van de moleculen en het aanwezige bindingstype, in het algemeen goed mengen, respectievelijk oplossen en welke niet, gebruik makend van de begrippen:
• apolair/polair;
• hydrofoob/hydrofiel;
• waterstofbruggen.

Namen en formules (SE)

Namen en formules bijbehorend bij deze stof worden in het schoolexamen getoetst.