Tag Archieven: organisch

Inhoud Stoffen en materialen, organisch (CE/SE)

Onderwerpen die in deze categorie worden behandeld zijn:

Andere toepassingen van koolstofverbindingen (SE)

Dit subdomein wordt in het SE getoetst.

Reacties van koolstofverbindingen (CE)

De kandidaat kan van een aantal soorten koolstofverbindingen aangeven welke typen reacties ze kunnen ondergaan en welke producten daarbij worden gevormd.

De kandidaat kan:
- Typen reacties van koolstofverbindingen noemen en aangeven wat de kenmerken van die reacties zijn:
• verestering;
• hydrolyse;
• polymerisatie;
• additie;
• kraken.
- Uit gegevens afleiden tot welke van de in eindterm 24 genoemde typen reacties een bepaalde reactie behoort:
• uit de vergelijking van de reactie;
• uit gegevens over beginstoffen en reactieproducten.
- Aangeven dat alkenen kunnen reageren met de volgende stoffen, aangeven welke producten daarbij worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijkingen geven:
• waterstof;
• water;
• halogenen, al dan niet in oplossing.
- Aangeven dat uit een alcohol en een alkaanzuur een ester en water kunnen worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijking in structuurformules geven.
- Beschrijven hoe de waswerking van zeep kan worden verklaard.
- Aangeven hoe esters kunnen worden gehydrolyseerd, welke producten daarbij worden gevormd en de daarbij horende reactievergelijking in structuurformules geven.
- In molecuul- en structuurformules van monomeer en polymeer het proces beschrijven van de polymerisatie van:
• etheen;
• vinylchloride;
• propeen.
- Polymeren op grond van hun gedrag onderscheiden in thermoplasten en thermoharders.

Structuren van koolstofverbindingen (CE)

De kandidaat kan structuurkenmerken en karakteristieke groepen in koolstofverbindingen aanduiden en benoemen, de systematische naamgeving volgens IUPAC voor een aantal soorten koolstofverbindingen toepassen en aangeven wat onder structuurisomerie wordt verstaan.

De kandidaat kan:
- Aangeven wat een structuurformule is.
- Uit een structuurformule een molecuulformule afleiden.
- Aangeven wat onder structuurisomeren wordt verstaan.
- De structuurformules geven van structuurisomeren die voldoen aan een gegeven molecuulformule met maximaal 6 koolstofatomen.
- Aangeven wat wordt verstaan onder:
• vertakte en onvertakte koolstofketens;
• enkele binding;
• dubbele binding;
• karakteristieke groep.
- Aangeven wat wordt verstaan onder verzadigde en onverzadigde verbindingen.
- Een verband leggen tussen de algemene formule van een homologe reeks en de bijbehorende structuurformules, waarbij niet verder wordt gegaan dan homologe reeksen van verbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep:
• alkanen;
• alkenen;
• alkanolen;
• alkaanzuren.
- Van een aantal koolstofverbindingen met maximaal 6 koolstofatomen in de moleculen de naam of namen (IUPAC) noemen en de structuurformule geven waarbij niet verder wordt gegaan dan koolstofverbindingen met een onvertakte keten en hoogstens één karakteristieke groep:
• alkanen;
• alkenen;
• halogeenalkanen;
• alkanolen;
• alkaanzuren.
- Van de in eindterm 38 genoemde verbindingen aangeven tot welke grotere klasse van verbindingen deze behoren en de karakteristieke groep aangeven:
• koolwaterstoffen;
• alcoholen;
• carbonzuren.
- Aangeven dat stoffen naast systematische namen ook triviale namen kunnen hebben en deze naast elkaar gebruiken.